Details
94 p.
Besprekingen
De Standaard
De Nederlandse Liesbeth Lagemaat heeft al zes dichtbundels op haar naam en oogst in eigen land veel waardering, maar in Vlaanderen is haar faam nog niet erg doorgedrongen - hoewel zij voor haar vorige bundel Nachtopera de Karel van de Woestijneprijs heeft gekregen. In een radio-interview beweerde ze dat ze niet alleen tijdens het schrijven, maar ook tijdens het lezen van haar eigen gedichten telkens tot nieuwe interpretaties komt. Dat sluit perfect aan bij het idee dat het gedicht slimmer is dan de dichter. Lagemaat beseft maar al te goed dat ze, zodra ze een gedicht heeft geschreven, niet meer de enige is die er aanspraak op mag maken. Zij wordt lezer onder de lezers.
In die visie krijgt de lezer een grotere vrijheid om het gedicht naar zijn hand te zetten, en zo wordt het plots makkelijker om een invalshoek te vinden voor Lagemaats relatief ondoordringbare poëzie. Immers: de dichter zelf kan als lezer van haar eigen poëzie nog worden verrast door nieuwe inzichten in wat zij heeft geschreven. Sterker nog: misschien kan ze het zich als lezer permitteren af te wijken van de intentie waarmee ze die gedichten heeft geschreven.
Een sofisme? Welnee. Lagemaat neemt graag de term 'componeren' in de mond om haar schrijfproces te omschrijven. Ze maakt op een nogal anarchistische wijze gebruik van wat in haar hoofd komt aangewaaid, een beetje zoals de écriture automatique van de surrealisten. Haar verzen mogen tot op zekere hoogte hun eigen gang gaan, vaak worden ze niet eens met een punt afgesloten. De laatste versregel van één gedicht waaiert soms gewoon uit in het volgende. Deze poëzie laat zich niet kooien.
Dakloos
De manier waarop Lagemaats verzen vorm krijgen, vinden een duidelijke parallel in de thematiek ervan. De wirwar van beelden die zich aandienen zijn de uitdrukking van een wereld die ononderbroken in beweging is, het kleine onbeduidende en het grote overweldigende komen erin met elkaar in aanraking en presenteren zich tegelijk aan de dichter.
Niemand is thuis in deze wereld, maar iedereen staat wel uit te kijken naar wat er komen zal en hem naar elders brengen moet. Dat doen we in een abri, een wachthokje. Het woord 'abri' is van Franse origine en draagt ook connotaties van veiligheid en bescherming met zich mee. Figureert het gedicht hier als een wachthokje, een plek waar je een zekere geborgenheid vindt in afwachting van wat komen zal?
De ik in deze poëzie lijkt weinig individuele eigenschappen te hebben, het is Lagemaat niet te doen om één enkel ego. 'Ik' is 'men' en 'men' is een 'mens'. Die mens is dakloos, op zoek naar een huis, en wil dat huis zelfs beschrijven aan de hand van het in deze bundel alomtegenwoordige behang, dat hem soms welkom lijkt te heten, maar soms ook bedreigt en gevangen houdt: er kunnen gaten in worden geknipt. Lagemaat biedt in haar bundel onderdak aan flink wat - vaak Nederlandse - schilders, zoals Pyke Koch , maar ook aan ontwerpers van achttiende-eeuws Chinees behang, zoals die van de drakenbootrace die het omslag van de bundel siert.
Lagemaat laat zich in Abri royaal door deze vaak speelse beelden overspoelen, soms in een verscheidenheid van talen. Ze stelt zich daarbij deemoedig op: de lezer is haar gelijke, hij mag meespelen. Misschien is het, nadat hij heeft gelezen wat er staat en niet staat, aan hem om dichter te worden. Wij staan met zijn allen al dan niet hoopvol op wacht in een abri die ons voorlopig asiel biedt. Het is de vraag of wij op een dag thuis zullen komen en hoeveel omwegen we zullen moeten maken. Ook die van de kunst of de muziek? Naar het eind van haar bundel toe heeft Lagemaat veel voeling met het lied. Alleen al de titels refereren daaraan: 'Verdwenen lied', 'Onuitgesproken lied'. Is dit het misschien wat ons redden moet?
Abri bevat veel gelaagde en geslaagde gedichten, maar sommige hebben een te groot toevalligheidsgehalte, wat wellicht te wijten is aan Lagemaats ongebreidelde zintuiglijkheid. Maar dat belet niet dat hier een dichter aan het woord is die evengoed de verbeelding van haar lezer prikkelt als - merkwaardig genoeg - die van haarzelf wanneer zij de lezer wordt van haar eigen werk.
Wereldbibliotheek 96 blz., 19,99 €.
NBD Biblion
Trouw
Vaak zijn ze van glas, dan zie je de bus tenminste aankomen. Liefst wacht je er niet te lang, in zo'n abri. Tenzij het regent misschien, dan is zo'n bushokje, best een fijne plek om even te schuilen.
Toch is zo'n klein glazen wachthok niet het soort abri waar Liesbeth Lagemaat het over heeft als ze in haar nieuwe bundel schrijft: "Schuilen? Als je moet, als je kunt, onder een bespogen // blad, een krantflard of het vergeetdozige botje van gekloven kip. Ik leg een / veertje voor je neer, kruip daar dan onder". Geen hard glas, maar een 'verenkurasje', een mens past er nauwelijks onder.
Al vanaf haar debuut, 'Een grimwoud in mijn keel', geldt Lagemaat als een eigenzinnig dichter, een schepper van sprookjesachtige, vaak grimmige werelden, die soms lastig doordringbaar waren. Het sterk gecomponeerde 'Abri' is - net als haar vorige bundel - opener, de reeksen hebben een min of meer verhalend karakter.
Meteen de eerste woorden al, trekken de lezer de bundel in. "Je had nog extra eieren laten komen vanochtend. Ze hoefde niet aan te bellen, / kon de mand zo de hal in schuiven. De deur op een kier. Later op de dag zou je // naar beneden, echt."
We zijn beland in de wereld van Pyke Koch. Ergens vertoont Lagemaats poëzie wel overeenkomsten met zijn magisch-realistische werk: "'t is net als // met alles dat u maakt Koch, een mens moet er zijn hoofd een slag bij draaien / dan past het precies."
De liefde voor beeldende kunst spreekt overal. Achter taferelen gezien op Chinese muurbekleding in Oud-Amelisweerd, bijvoorbeeld, vindt ze evengoed een verhaal: "Je had je allang verstrooid in het water, // was van man van dichter van klinkend woord een ruisen geworden."
Haar reeksen zijn even strak - ieder vers telt tweeregelige strofen - als vloeiend: een gedicht kan halverwege een zin eindigen om in een volgend gedicht gewoon verder te gaan. Met intense beelden weet ze een onderhuidse dreiging voelbaar te maken, zoals haar nu eens prozaïsche dan uiterst gecondenseerde taal spanning creëert. Wat is er bijvoorbeeld in 1900 gebeurd in de leisteengroeve? Met John? Iets met thee met te veel looizuur? Viel hij door een kabel die knapte? Lagemaat laat flarden zien.
De veelal tijdloze gedichten, kunnen overal gesitueerd zijn, ook nu: de vijf liederen van een soldatenvrouw, die zich laten lezen als manieren van afscheid nemen, van achterblijven, zijn onverwacht actueel.
En elders is ze expliciet maatschappijkritisch. Boos zelfs. Op de mens die zich heer en meester waant over de natuur. Die met de bouw van lelijke hotels de kustlijn van (tropische) eilanden verpest, er met zijn koffers als 'vierkante eieren' de 'geur van verderf' achterlaat.
Is er nog iets wat bescherming kan bieden tegen die werkelijkheid van afbraak, dood en verderf?
De taal kan een harnas zijn. Lagemaat heeft het opnieuw aangegord.
Wereldbibliotheek; 96 blz. € 19,99.