Details
297 p.
Besprekingen
De Volkskrant
Onder asfalt, de tweede roman van Maarten van der Graaff, is nog maar een paar regels begonnen of de schrijver richt de schijnwerpers op De wilde detectives (1998), een van de sleutelwerken uit het brede oeuvre van Robert Bolaño. Dat kan natuurlijk geen toeval zijn. En inderdaad: je hoeft niet zo heel veel verder te lezen om in de gaten te krijgen dat Onder asfalt net als De wilde detectives een roman is die lezers die prijs stellen op coherentie, continuïteit en consistentie de gordijnen in zal jagen. Van der Graaffs roman gaat tegen de stroom van je verwachtingen in, ontregelt je denkkaders en stelt je voor nogal wat raadsels - zowel in de vorm als in de inhoud - waarvan je je afvraagt of het wel de bedoeling is dat je ze oplost.
Onder asfalt is opgebouwd rond twee jaren: 1999 en 2068. In het 1999 van Van der Graaff wordt de wereld niet beheerst door de angst dat de computers tijdens de millenniumwisseling dol zullen draaien, maar verdwijnen in Nederland plotseling de snelwegen en verandert het land in 'zooi, overal onbeheersbare rommel, gekartelde uitsteeksels van het puinbed dat onder het asfalt had gelegen, gebroken platen beton en zand'.
Op de puinhopen zullen getransformeerde mensen die engelen worden genoemd De Hemelse Stad bouwen, 'een wereld helder als glas, waar geen nacht meer zal zijn'. Een eerste stap is dat mensen (doelwitten, zo noemt Van der Graaff hen) via een schot in de nek iets toegediend krijgen wat de schrijver aanduidt met de nogal vage term 'technologie'.
Is 1999 het jaar van een veranderende wereld, in 2068 zitten we midden in een veranderde wereld die de Randstad heet. Laptops en tablets behoren tot de prehistorie en zelfs implantaten zijn niet meer nodig, nee, de digitale techniek is deel van het lichaam geworden. De mensen maken zelf 'velden' aan waarin ze 'bladeren'. Maar dat gaat weleens mis, zoals in het geval van Renate van de Burgt, wier velden zijn 'ingestort'.
Sudden field deterioration syndrome is de geleerde term die Van der Graaff voor deze aandoening munt. Wie eraan lijdt, is 'overgeleverd aan een onvoorspelbare nieuwe wereld, waarin sporen te ontwaren vielen van hun zoekgeschiedenis, hun veldgedrag, de media die ze hadden geconsumeerd en iets wat (...) werd omschreven als 'herinneringen en onbestemde verlangens'.' De herinneringen en onbestemde verlangens van Renate van de Burgt voeren terug naar een tijd waarin er nog snelwegen door het land liepen, en daarmee is de link gelegd tussen de wereld van 2068 en die van 1999, het laatste jaar van de snelwegen.
Na een roman waarin zijn gereformeerde achtergrond een leidende rol speelde (Wormen en engelen) schreef Van der Graaff nu dus een dystopische roman van het zuiverste water, zou je bijna zeggen. Maar Onder asfalt is veel complexer dan de samenvatting hierboven suggereert en treedt ver buiten de oevers van dit genre.
Neem alleen al de ingewikkelde structuur. Er zijn wel verhaallijnen zichtbaar (in de delen over 1999 zijn dat er een handjevol, in die van 2068 is vooral Renates dochter Cora aan het woord, die in de voetsporen van haar moeder treedt), maar die wisselen elkaar op onvoorspelbare wijze af, zijn nauwelijks met elkaar verweven terwijl dat wel de bedoeling lijkt te zijn en zijn elk afzonderlijk ook nog eens vergeven van de gaten. Gaten die er bijna om smeken om gedicht te worden, maar dat gebeurt niet of nauwelijks, ook niet als je het boek nog een keer leest.
Een geestige passage hier en daar brengt een beetje lucht in dit dichte proza, bijvoorbeeld wanneer Van der Graaff uitlegt waarom een van zijn vrouwelijke personages 'het lekkerst op een vreemde plee' zit. Maar de overheersende indruk is toch dat je met zó veel open plekken blijft zitten dat je je op een gegeven moment begint af te vragen of je Onder asfalt wel moet proberen te begrijpen. Misschien komt deze roman wel het best tot zijn recht als je hem probeert te ervaren en te lezen zoals je poëzie leest. Dat zou helemaal zo gek nog niet zijn bij een auteur die al dichter was voordat hij ook romanschrijver werd. Net als Bolaño.
***
Uitgeverij Pluim; 297 pagina's; € 22,99.
Humo
Is de fantasie teruggekeerd in de Nederlandstalige literatuur? Toegegeven, ze is nooit echt weg geweest, maar ze had het de afgelopen jaren zwaar tussen alle dagboekproza en literaire therapie. Er lijkt echter een kentering ingezet, waarin bijziendheid wordt verruild voor een blik in de verte, voorbij de grenzen van de eigen achtertuin. Schrijvers als Auke Hulst met 'De Mitsukoshi Troostbaby Company' of Eva Meijer met 'Zee nu' maken handig gebruik van een fantasiewereld om te reflecteren over de actualiteit.
Bij hen schaart zich nu Maarten van der Graaff met 'Onder asfalt'. Na twee dichtbundels verscheen in 2017 zijn prozadebuut 'Wormen en engelen', een goed ontvangen roman waarin de schrijver de rol van religie in zijn eigen leven en in een geseculariseerde samenleving onder de loep nam. Zijn fragmentarische stijl pakt Van der Graaff opnieuw op in 'Onder asfalt', dat zich in twee verschillende tijdperken afspeelt. In een fictief 1999 wordt Nederland opgeschrikt door een geheimzinnige ontwrichting van de maatschappij: alle snelwegen zijn van het ene op het andere moment verdwenen. Zo komt Alina samen met haar dronken collega's vast te zitten op een personeelsfeest, omdat ze het parkeerterrein niet meer kunnen verlaten - het asfalt van de uitvalswegen is immers in rook opgegaan. Dan is er Lennard, de twintiger wiens wereldvreemde jeugdvriend vermist raakt. En een groep scholieren is op zoek naar hun klasgenoot Julian, die via een zelfgemaakt computerspel contact met hen zoekt. Tot slot zijn er de geheimzinnige 'engelen', die meer lijken te weten over wat men later 'De veranderingen' zal noemen.
De verhaallijn die zich in de toekomst afspeelt, heeft een geëngageerd karakter. In 2068 zijn technologie en het menselijk lichaam volledig met elkaar verweven. Van der Graaff toont ons de gevolgen, die angstaanjagend voorspelbaar zijn: mensen bevinden zich voortdurend in twee realiteiten, een fysieke en een digitale. Ira, geboren in 2026, wordt geconfronteerd met de consequenties: haar moeder, een bejaarde millennial, belandt dankzij 'ingestorte informatievelden' in een vegetatieve staat, onbereikbaar voor de buitenwereld. Er bestaat een mogelijkheid tot 'veldautopsie', waarmee men inzicht kan krijgen in de belevingswereld van de getroffene, zoals een hersenscan van een comapatiënt, maar Ira twijfelt of ze de schimmenwereld van haar moeders brein wel wil betreden. Het enige tastbare wat de moeder heeft achtergelaten, is een bak vol ouderwetse kaartjes die ze in de jaren vóór de geboorte van haar dochter heeft volgeschreven. Ook die kaartjes zijn in het boek opgenomen, als tastbaar artefact uit de laatste jaren van de analoge mens.
Van der Graaff presenteert zijn onthutsende realiteiten speels, vanuit verschillende perspectieven, zonder zich te bekommeren om chronologie of lineariteit. Hij schuwt hermetisch taalgebruik en poëtische beelden niet, maar weet zijn personages toch ongekunsteld en geestig tot leven te brengen. Zo bouwt hij langzaam zijn luchtkasteel op, strooiend met brokjes informatie, en het is aan de lezer om daar een verhaal van te metselen. Juist op die momenten, wanneer de logica lijkt te ontbreken en de lezer in het duister tast, ontstaat ruimte voor eigen interpretatie, alsof die met de auteur mee mag denken over een universum dat ze samen opbouwen. Zo doet 'Onder asfalt' niet alleen een beroep op de fantasie van de schrijver, maar ook op die van de lezer.