Interview met Mark Schaevers

Marc Schaevers

Te gast in de Paarse Zetel: Claus-biograaf Mark Schaevers

Op 20 november was Mark Schaevers te gast in De Paarse Zetel. Hij is schrijver, journalist en voormalig redacteur bij onder meer Humo en De Standaard der Letteren. Eerder dit jaar kreeg hij de Boon Publieksprijs voor De levens van Claus, zijn meeslepende biografie over Hugo Claus. Tien jaar eerder had hij al de Gouden Uil Literatuurprijs gewonnen met Orgelman, een boek over leven en werk van de Duitse schilder Felix Nüssbaum. 

Waarom koos je Felix Nüssbaum als onderwerp?

Ik had eerst Oostende, de zomer van 1936 geschreven over joodse en Duitse schrijvers die, op de vlucht voor de nazi’s, een toevlucht hadden gevonden in Oostende. Zoals Joseph Roth, Stefan Zweig en Irmgard Keun, schrijvers die ik zelf heel goed vind. Het is altijd leuk als je een plaats ook via de literatuur kunt beleven. Wanneer je in de straat bent waar Zweig en Roth ooit in een café samen zaten te klinken, kan je dat niet meer wegdenken. 

Al snuisterend in die geschiedenis ontdekte ik schilderijen die perfect passen bij de sfeer van die jaren en kwam ik uit bij nog een banneling, Felix Nüssbaum. Hij was een wat vergeten kunstenaar uit Osnabrück die een groot stuk van zijn korte leven in Brussel en Oostende heeft doorgebracht. Daarom heb ik geprobeerd dat leven te reconstrueren en heb ik zijn kunstwerken daarbij betrokken. Hij is in 1944 in Auschwitz gestorven en was van de aardbol verdwenen, als jood uit de geschiedenis gewist tot in de jaren 50. Ik moest de puzzel van zijn leven leggen met de weinige stukken die ik uit bibliotheken en archieven wist te sleuren en interviews met de paar honderdjarigen die ik nog kon vinden. Elk snippertje dat ik vond was van het grootste belang, want dan kon ik weer verder in de speurtocht.”

En waarom Hugo Claus? Hij was bij leven allesbehalve onbekend.

“De uitgeverij vroeg me in 2014 om zijn biografie te schrijven. Daar moest ik niet lang over nadenken, want ik heb hem vanaf de jaren 90 vaak geïnterviewd. Ik heb ook samen met hem Groepsportret gemaakt op basis van zijn interviews, en voor Josse De Pauw heb ik een toneelstuk geschreven, De versie Claus. Voor die biografie kwam het vooral neer op kiezen en synthetiseren, want ik had materiaal zat. Je wordt overdonderd door wat hij allemaal geschreven heeft. Daarnaast waren er zijn vele bezigheden en alles wat al over hem geschreven was. Ik heb bovendien wel 200 andere mensen geïnterviewd. Dat werk was wat langduriger en vermoeiender, maar niet minder prettig.” 

Merkte je parallellen tussen beide mannen?

“Ja, ze waren kunstenaar voor alles. Nüssbaum verborg zijn schilderijen voor hij werd afgevoerd via de Dossinkazerne. Hij wou dat zijn werk zichtbaar bleef als hijzelf zou ten onder gaan. Daarom is het ook weer uitgekomen na de oorlog en hebben we zo'n 500 werken. Voor Claus geldt dat misschien minder. Hij deed wat minnetjes over zijn nabestaan: ‘Ik ben maar een vodje dat gaat slingeren.’ Hij toonde zichzelf een beetje als een sloddervos maar tijdens zijn leven stond kunst op de eerste plaats. Hij was doorgaans een gedisciplineerd schrijver. Alle vrouwen in zijn leven die ik gesproken heb, zeiden me dat zijn werk toch belangrijker voor hem was dan zij waren.”

Veel van zijn werk vond hij nochtans (achteraf) niet goed en nogal wat van zijn realisaties zijn geflopt.

“Soms had hij daarin gelijk, want hij schreef heel veel, ook opdrachten die hij nonchalant afwerkte om de telefoonrekening te betalen. Maar voor het grote werk, de romans, de belangrijke toneelstukken legde hij de lat voor zichzelf zeker hoog. Shakespeare en andere groten waren degenen die hij probeerde te evenaren, en dat lukte niet elke zaterdagnamiddag.

De mensen herinneren zich hem vooral als de man die op tv nogal grootsprakerig en eloquent een succesverhaal bracht. Hij wist immers: succes genereert succes en in het openbaar moet je je vooral niet te klein opstellen. Maar privé had hij zeker grote twijfels. Dat was meer zijn verborgen kant. Dat bleek al uit zijn eerste dagboeken, maar ook uit de eindafrekening die hij voor zichzelf gemaakt heeft in een aantal gesprekken. De oudere Claus vroeg hij zijn uitgever wel eens: ‘Was het genoeg?’ Dat getuigt van zelfkennis en zelfrelativering.” 

Hij had zelfs depressieve periodes.

“Inderdaad. Er zat een diep depressieve kant aan Claus, zelfmoord stond hem wel eens voor ogen. Hij vond dat geen grote oneer. Hij was een bewonderaar van de filosoof Emile Cioran, die een verdediging van de zelfmoord geschreven heeft. Hij kiest uiteindelijk ook voor euthanasie als heer en meester over zijn eigen leven. Tezelfdertijd was hij een bourgondiër: geniet van het leven zolang het goed gaat, maar trek de conclusie als het fout loopt.”

Orgelman

Hij verhuisde voortdurend en liet het geld behoorlijk goed rollen, maar op een of andere manier vond hij dat geld ook altijd weer.

“Hij was veeleisend als er verzoeken binnenkwamen. Hij was zich bewust van de waarde van zijn naam in Vlaanderen en Nederland en wist die met een West-Vlaams besef van commercie te verzilveren. Hij drukte dat wat weg met zijn Nederlandse tongval, maar hij had een diepe haat-liefdeverhouding met (West-)Vlaanderen. Zeker toen hij ouder werd had hij daar een vrij emotionele band mee.”

Hij provoceerde de Vlaming nochtans graag.

“Ja, de jongere Claus toch. Hij speelde daar ook mee in zijn tv-optredens, net als de andere groten in de literatuur van toen, zoals Mulisch en Reve. Zij waren de eerste televisiegeneratie en hebben ontdekt dat je daarmee beter een reputatie en een kans voor je oeuvre kunt opbouwen dan door dat oeuvre zelf. Wat nu voor alles schrijvers geldt: let op je pr en verzorg je contacten, daarin was hij een voorloper. Hij was ook een bekwaam netwerker, had altijd een kring om zich heen van mensen die hem goed volgden. Vorige generaties konden nog kiezen om een onzichtbare schrijver te zijn maar vandaag kan je dat niet meer maken. Je moet ook een personage in de media zijn.”

Was Gent belangrijk voor hem, want hij heeft er vaak gewoond.

“Ja, naast West-Vlaanderen. Hij woonde er in de jaren 50 met zijn eerste vrouw Ellie en van 1976 tot eind jaren 80. Hij kende er verschillende liefdes en het was de plek waar hij weer thuiskwam, nadat hij in Rome en Parijs had gewoond. Soms zei hij dat hij van Gent was - dat is al niet niks. Ik denk dat hij nergens de weg beter kende dan hier, de cafés, de kunstenaars. Gent stond ook voor: de familie. Hoezeer hij, de vrijgevochten kosmopoliet, ook gefoeterd heeft op zijn broers en zijn ouders, toch was die clan zoals hij het noemde, voor hem enorm belangrijk. Al verwaarloosde hij wel zijn kinderen, ze zijn zonder hem opgegroeid. Hij heeft veel geschreven over dat wonderlijke – en contradictorische - web van familierelaties. Het zit al in zijn debuut, De Metsiers.”

De levens van Claus

Was hij prettig in de omgang?

“Hij had charisma, zonder dat hij een haantje-de-voorste was of de luidste in een groep. Als hij ergens binnenkwam veranderde het klimaat. Of Claus erbij was maakte een groot verschil, ook bij publieke gebeurtenissen: komt hij, komt hij niet? Zijn charme was deels gemaakt, deels echt. Hij kon heel vriendelijk zijn, heel heftig ook, maar hij wist ook dat beleefdheid een superieure vorm van minachting kan zijn. Dat gebruikte hij wel eens om mensen dingen te laten aanvoelen. Misschien was de sleutel wel dat hij zichzelf heel erg onder controle had. Hij was in zekere zin ook een acteur in het literaire leven.

Hij was heel nieuwsgierig. Dat viel me al op de eerste dag dat ik hem tegenkwam. Hij vroeg je uit. Hij begon niet zelf zijn leven of anekdotes te vertellen, tenzij je aandrong. Hij pulkte, dissecteerde mensen; je kon je uitgekleed voelen na een sessie bij Hugo Claus. Nieuwsgierigheid is een motor van misschien wel alle romankunst.

Hij hield ook van roddels: in de Hotsy Totsy luisterde hij naar de verhalen van zijn broers en zijn schoonzus Motte. Hij ging daar letterlijk zitten om zijn werk te voeden. Wat zij vertelden vond je terug in zijn verhalen of romans. Iemand die zoveel schrijft moet zijn vangnet voor vertelstof fijnmazig én breed opzetten. Voor de kleine en de grote kanten van het leven.”

Claus creëerde zelf zijn imago, hij loog en overdreef. Zijn er dingen die je verrast hebben of die je ontdekt hebt?

“Toen ik met de biografie bezig was zei iedereen: ‘Claus, waar begin je aan. Die heeft zijn eigen beeld gemaakt, er zijn zoveel Clausen en zoveel visies. Het is een gladde aal.’ Dat heb ik allemaal rustig over me heen laten gaan. Hij was inderdaad graag vele levens, toonde allerlei facetten en speelde met contradicties, maar aan het eind van de rit merkte ik dat Claus wel benaderbaar is en geen raadsel blijft.” 

 

Heeft hij niet geprobeerd om dingen te verstoppen of te proberen?

“Hij vond het juist erg belangrijk om veel bij te houden, want dat was de voeding voor zijn schrijven. Zeker in zijn laatste jaren probeerde hij nog gedichten te schrijven en dan morrelde hij in zijn archief, op zoek naar notities of oude versies waar hij iets mee kon doen. Dat verleden was het enige wat hem in die fase nog productief hield. Uit zijn dagboeken was soms een pagina gescheurd, maar misschien had hij die nodig om een adres op te schrijven. Je bent er op dat moment niet bij. Zijn weduwe, Veerle De Wit, is vrij zeker dat hij in zijn latere fase veel in zijn papieren bezig was, zodat het mogelijk is dat hij dingen heeft vernietigd. Grootschalige verdwijningen kan ik echter niet melden. Zijn alzheimer heeft een tiental jaar geduurd. Zelfs als hij iets had willen vernietigen had hij niet altijd meer de klaarheid van geest om precies dat eruit te pikken. Tijdens het maken van Groepsportret kon ik heel goed zijn functioneren inschatten, met de mist die kwam opzetten en de helderheid die soms meteen terugkeerde. Ik weet vrij goed wat voor man hij was in de laatste 15 jaar van zijn leven, hoe hij zich gedroeg. Dat was voor mij een geruststelling bij het maken van zijn biografisch portret.

Door alles over en van Claus bijeen te leggen weet ik wel: dit is Hugo Claus voor mij. Die conclusie kan uiteenlopen voor de lezer. Reacties gaan van: ‘Ik had me hem slechter voorgesteld, hij valt mee,’ tot: ‘Het is toch een charlatan, ik heb het altijd geweten.’ Volgens de een maakte ik hem kleiner door ook zijn kleine kantjes te vermelden, volgens anderen net groter. Het belangrijkste voor mij is dat ik dichter bij Claus ben geraakt dan hij zelf wou.”